Geslaagde oud-leerlingendagen op 30 april en 1 mei 2022.

Speech José Van Holder

Toespraak 60 jaar Reto ‘62

Mijnheer de voorzitter,

Beste jubilarissen, dames, heren en non-binairen,

Deze eerste mei 2022 is een unieke dag in de geschiedenis van het Sint-Catharinacollege.

Vandaag worden voor de laatste maal retorici van voor het concilie in de bloemen en in de diamanten gezet. Wij zijn dus de ultieme tot in de vezel klassiek geschoolde generatie.

Na ons sloop de volkstaal binnen in de liturgie. Maar geef nu eens eerlijk toe: wat klinkt beter?

-🎵 Heer, ontfe-erm U (met een dun stemmetje)

of : Ky-y-y-ri-e – e-e-e-e-eleison (met krachtige stem)

Hulde aan de priester-leraars. Ze droegen een soutane met 33 knopen. Voor dag en dauw moesten ze al die knopen dichtmaken, de mis opdragen, tussendoor honderden snaken opvoeden en wijsheid proberen bij te brengen, geestelijke leiding geven, eindeloos brevieren en als de wereld al lang sliep uitgeput die soutane weer openmaken.…

Geen wonder dat ze met een zucht van verlichting na het concilie werd geruild voor de clergyman.

Het tonsuurtje – de kale hostie in het kruintje van de priester-leraars – groeide definitief dicht en verdween eveneens.

Even later begon het ooit voor ons verboden vrouwelijke geslacht onze plaatsen in te nemen op de schoolbanken én in de examenuitslagen.

Tot in de jaren 60 waren onze opvoeders immers bezorgd over het geestelijk welzijn van hun puberende discipelen. Meisjes: je mocht er niet alleen niet aankomen, maar zelfs niet naar kijken. Wie met zijn bloedeigen zuster werd opgemerkt, mocht het ’s anderendaags gaan uitleggen.

Naar het lichamelijk welzijn werd minder nauw gekeken: van 14 jaar af mochten we roken. Meer nog: de kankerstokken werden op en door het college aan ons, minderjarigen, verkocht. Belga en Zemir; de dapperen waagden zich aan groene Michel. Dit was ook het merk van subregent Dewulf, die daardoor voortdurend moest hoesten.

De dappersten rookten de pijp: Semois, Appelterre grove snee, Wervik of Clan, de “Schotse” tabak die naar peperkoek rook. Covid had toen geen schijn van kans: het virus viel morsdood voor het je kon infecteren en je moest dagenlang ontluchten (ventileren) vooraleer de stank verdwenen was.

Ik wil u even laten terugblikken naar de tijd toen de dieren nog spraken, de eerste helft van de jaren 50.

De bevolking droeg nog schoenen in plaats van de huidige turnpantoffels. De huismoeders haastten zich om gaten en scheuren in de broeken te dichten. Nu is dit een teken van welstand.

De wederhelften heetten nog man en vrouw in plaats van vriend en vriendin.

Mijn man, mijn vrouw zijn nu ingepikt door het gelijke geslacht.

Vanaf de eerste dag in de lagere afdeling werden we polyglot. Ik zie hier veel wenkbrauwen fronsen: Hoe?  De meeste talen werden toch pas in de humaniora aangeleerd?  

Nee hoor, we werden meteen ondergedompeld in een taalbad, zeg maar een kakofonie van babelse dialecten. Overal kwamen onze klasgenoten vandaan en ieder sprak zijn eigen taaltje. De namen van de dorpen alleen al…

Gerangschikt van kwaad naar erger: Skainbeek, Jèverbèk, Winjik, Zoërlingen, , en als winnaars Iëzel (Herzele), Jèren, (Herne), Molierde ,( Sint-Maria-Lierde) en Sjinsjaansj (Sint-Jans- Hemelveerdegem). De Geraardsbergse “steebuiken” konden helemaal niet volgen en noemden ons allemaal boerkiesj, ook al waren er meer dokterszonen dan landbouwerszonen bij de “jongens van den buiten”.

De onderwijzers tot en met het vierde leerjaar bedienden twee klassen tegelijk. Tussendoor leerde meester Cromphout , een magere man met gitzwart haar, het jonge volkje zingen o.m het nog onbesmette” kere weer om reusken, reusken, kere weer om reuzegom”. Daarbij keken de jonge zangertjes gefascineerd hoe zijn imposante adamsappel op en neer wipte.

Soms gingen we zwemmen in het stedelijk zwembad, toen nog gevuld met groenig water uit de Dender. Ook wij jongetjes van 8 tot 10 jaar, moesten zedelijke kledij dragen: een eendelig zwempak, een maillot. Wie alleen een zwembroek had moest zijn torso verhullen met een onderhemd ofte lijfje. Dit zedelijk probleem werd kort en krachtig door de industrie opgelost. Op een mooie zomerdag in 53 of 54 kleurde de Dender zilverwit :honderdduizenden zilveren vissen dreven dood op hun zij aan het oppervlak. De Union Allumettière, bijgenaamd de stekskenfabriek, bijgenaamd de Zweden had voor het eerste zijn giftig afval in de rivier geloosd. Voor jaren was het gedaan met het schoolzwemmen!

Als het foor was mochten we op de Vesten naar een voorstelling van het circus Libot en later van het circus Semay. In het circus bewonderden we vooral de acrobaten aan de trapeze en lachten we met de clowns. Maar op tienjarige leeftijd hadden we het niet zo begrepen op paardendressuur. Die edele dieren begonnen meestal voor onze neus in geur en kleur te “stofwisselen”.

Met de autocar van “Cars St.-Christophe” uit Nederbrakel gingen we op schoolreis naar de luchthaven van Melsbroek. Of naar de haven van Antwerpen waar we met ontzag naar de  “kongoboten” keken. Die voeren paters en nonnekens naar de missies had men ons verteld. Maar ons voer de Flandriaboot stroomafwaarts van Antwerpen naar Temse. In Dadizele verdwaalden we in het labyrint dat uit haagbeuk (of was het liguster?) bestond.   Op schoolreis naar Nieuwpoort hoopten we in de bunkers nog koperen hulzen van obussen te vinden. Die stonden toen op menige vensterbank te glimmen naast de sanseveria’s.

Eenmaal per jaar op Sint-Jan was er leerlingenfeest: vrolijkheid alom. Op de speelplaats hadden de zogenaamd pipespelen plaats: kaatsen, zakkenlopen, lepelkoers met een knikker erin.  Het meest merkwaardige was koekeneten. Aan een touw werden krakelingen in de hoogte opgehangen en in kandijstroop gedoopt. De bedoeling was om hem staande en met de handen op de rug op te eten. Gelukkig waren de leerkrachten zo verstandig de deelnemers een doek rond de nek te binden.

Ondertussen klonken op de speelplaats onophoudelijk doffe knallen. Wat was nu het vermaak? Lege bussen van Andrews maagzout met een knellend deksel en een paar gaatjes in de bodem werden gevuld met wat carbuur.  Daar werd dan op gespuwd, het goedje begon te gisten en brandbare gassen af te geven. Deksel erop, bus op haar zij, brandende lucifer tegen een gaatje en wham, het deksel vloog meters ver.

Er werd me verteld dat een of andere onverlaat ooit een voorraad carbuur in een open toiletpot heeft gegooid. Wat de gevolgen waren laat ik aan uw verbeelding over.

Aan menig ander schoolfeest droeg de keurploeg van de turners bij. Dat waren pas mannen! Ze liepen op hun handen met evenveel gemak als op hun voeten. Ze wipten als echte tijgers over de plint, maakten salto’s met en zonder handensteun. De apotheose was een 4-manshoge pyramide, die de toeschouwers de adem deed inhouden.

Een andere begenadigde leerling declameerde de 5 bladzijden lange “Rede tot de hoofden van Lebak” alsof hij Max Havelaar zelf was.

Delen van de Catilinarische redevoeringen of uit de Ilias werden voor de vuist weg voorgedragen.

Was het toneelspel op college blijven bestaan, dan had studio Herman Teirlinck de deuren kunnen sluiten. (Een enkele maal was ik “acteur”. Iemand stormde de scène op en riep: “Vlucht, vlucht! De vijand nadert”. Een groep vluchtelingen liep snel de scène over en verdween achter de coulissen Ik was er een van, gekleed met de oude jas en de hoofddoek van mijn oudere zuster. Mijn ouders, vol verwachting naar mijn acteerkunsten, hebben me niet eens zien lopen…)

Op het einde van het jaar waren er de legendarische “prijsdelingen”. Principaal Sterck, die graag tegen de notabelen aanschurkte, slaagde erin om elk van hen in boeken en/of speciën te doen bijdragen aan dit spektakel. Er werden prijzen gecreëerd voor alles en nog wat, nog meer dan de MIA’s vandaag.

Voor gedrag en vlijt was er een prijs voor elke humanioraklas. De milde schenkers (was het onder zachte dwang?) waren allen Zeereerwaarden, oudgedienden van het college, meestal dekens of oud-principalen. Voor de gelegenheid werd zelfs de pastoor-schenker van Eerwaarde tot Zeereerwaarde bevorderd.

Voor de overige prijzen was geen enkele professor, advocaat, apotheker, dokter, bankier, hoge militair,volksvertegenwoordiger, burgemeester …veilig. Het resultaat was dat het podium op boekenwinkel “De Klaroen” uit de Lessensestraat leek. De laureaten – sommigen beklommen keer na keer het podium – kregen telkens na hun proclamatie een pianomuziekje met een strijkje erbij als applaus. De finale erehaag zag er als volgt uit: de langste slungels stonden meestal met lege handen achteraan. De knapste studenten gingen wankelend en haast bezwijkend onder hun prijzen naar huis.

Maar vergis je niet: een goede score kreeg je niet gratis. Als je de helft van de examenvragen juist beantwoordde, had je nul punten. (In “den école moyenne” was het net omgekeerd, als je de helft mis had, kreeg je 50 procent).

Buiten al deze studie-ernst waren er nog de fratsen.

De Galliërs waren dapper, nog dapperder was de man die in de studiezaal zware voetzoekers tussen de steenkolen had gemengd. 70 jaar later zie ik nog altijd het verschrikte gezicht van Stautemas, toen hij kolen op de stoof goot, de boel ontplofte en de kachel als een vulkaan rook en roet spuwde.

Lang voor Jean-Luc Dehaene in Aalst werden varkens uit de aangrenzende stal in de studiezaal losgelaten. Wat een slagveld van omvergelopen schoolbanken!

De daders kwamen uit een Geraardsbergse familie, waaruit 2 beroemde telgen sproten.

https://www.gerardimontium.be/wp-content/uploads/tijdschrift/1773.pdf

In 1955 had er in het 5e leerjaar een echt bomaanslag plaats, met een stinkbommeken.

Een kleine glazen ampul, met een vloeibaar stinkend goedje – zwavelwaterstof? – was op de grond verbrijzeld met de nodige gevolgen. Boodschapper en bommengooier kregen een rode kaart.

Het goedje was gekocht bij Mieke Stront, Lessensestraat, zo genoemd omdat in haar winkeltje van fop- en knalartikelen een zeer realistische namaakkrul voor het venster lag. Je kon er ook “iët en kaad” (heet en koud) kopen. Als een nietsvermoedende leerling op deze vloeistof ging zitten, werd zijn achterste ineens gloeiend heet en onmiddellijk daarna leek het te bevriezen.

Ik kan niet getuigen dat dit ooit klassikaal gebruikt werd. (Een van jullie soms wel ???)

Andere plagerijen: knikkers tegen het bord keilen; proppenschieten naar het bord met gekauwd papier en de huls van een balpen als blaaspijp; in de kapel een meikever op iemands rug omhoog laten kruipen, hoorbare winden laten, zonder zelf in lachen uit te barsten. Dikwijls was het niet de dader die bestraft werd, maar een onschuldige buur.

Dit is ooit gebeurd in de klas van Leonce Van Wijmeersch. Die man was kort van stof, maar kon rood aanlopen van woede. (daarbij bleef zijn linker neusvleugel opvallend wit.)  Hij siste toen: In het menselijk lichaam vormen zich gassen, die langs de natuurlijke weg het lichaam moeten verlaten.  

Bij het aanbreken van de humaniora was het stilaan uit met de pret. 

De leraars noemden ons van dan af aan mijnheer + familienaam, ook al waren we nog maar 12-13-14- jaar, zittenblijvers en jaartje-over springers inbegrepen

.

Naast de plechtige communie en het vormsel was er voor de jonge snaken nog een kort en bondig overgangsritueel: we schoven in serie aan naar de infirmerie. Daar zat dokter Van Heuverswyn (what’s in a name) in een wolk van ether op ons te wachten om ons te testen op onze toekomstige mannelijkheid. Een snelle greep in het kruis, sommigen slaakten een kreetje of deden een luchtsprongetje en dat was dat. Je was ingewijd en goedgekeurd voor de volgende 6 jaar. Pas veel later begrepen we dat dit een onderzoek was naar cryptorchidie. (handig toch als je Oudgrieks geleerd hebt.)

Dit probleem is vandaag haast van de baan: als het van de politici afhangt zullen ruim 11,56 miljoen Belgen hun geslacht verliezen, zodat er geen 500-tal kruisjes (X) op de identiteitskaart moeten worden gezet.

Jaren gingen voorbij en met de leeftijd werden de regels en de straffen strenger.  Wie te laat kwam moest bij de hoogste instantie een admittatur, gaan halen, een briefje met de toelating om de klas te betreden.

Zaterdag was een bloedstollende dag: dan kwam de principaal de weekrapporten uitreiken.

Wie eerste, tweede of derde reeks haalde kreeg respectievelijk een goedkeurende, een neutrale of een afkeurende blik.

Maar bij een vierde reeks, o wee. Hij pauzeerde nadrukkelijk, keek de dader vernietigend in de ogen en zuchtte als een man van smarten: vierde reeks. Om terug te kijken en toch zijn blik te ontwijken kon je je fixeren op het geprononceerd vetbultje onder zijn linkeroog.

Een vierde reeks ging steeds gepaard met een rode kaart en een straf. De internen mochten niet op weekend; de externen en halfinternen hadden een wandeling aan hun broek op een vrije namiddag. Op het buitengoed, ’t campagne, moesten daarbij diverse karweien worden opgeknapt.

Horresco referens : een ervan was ei zo na levensgevaarlijk. Op het buitengoed liepen ganzen binnen een omheining, die van tijd tot tijd verplaatst werd. Eerst moesten houten palen in de grond worden geheid.

Stautemas, subregent en ganzenhoeder van dienst, liet iemand van de strafkolonie een paal vasthouden en zwaaide met de voorhamer. Voor de inslag vloog de kop van de steel en suisde in de richting van de verschrikte helper, gelukkig zonder erg. Voor die dag zat de karwei er op…

Bij een andere wandeling was de opdracht een aantal gerooide bomen met een trekzaag in kliefklare korte stukken te zagen.

Die karwei was vrij snel geklaard. De bewaking was verdwenen, een buurman zag ons bezig, knikte een paar keer met het hoofd zijwaarts à la kom eens hier, maar wij hadden het al begrepen. We laadden de kruiwagen vol met overmatig lange stukken en kieperden die over de omheining, waar de dankbare buurman er bliksemsnel mee verdween.

Tegen ADHD avant la lettre – in de klas, in de rang of in de studie – bestonden er instant medicijnen:

5 huiswerken bij een licht vergrijp, 25 huiswerken bij een ernstig. Daarbij kruiste de bestraffer zonder een woord te zeggen de polsen over elkaar, de vingers wijd opengesperd in de richting van de dader. Je bofte als er die dag een huiswerk van algebra was, maar het kon net zo goed een opstel of een verhandeling zijn. Nochtans waagde niemand het ene voor het andere huiswerk te verwisselen.

Ook het overpennen alle Latijnse en of Griekse stamtijden was een veel gegeven straf.

Als je pech had moest je strafwerk door een ouder ondertekend worden. Ik was jaloers op de medeleerling, die de handtekening van zijn vader perfect kon nabootsen.

Lijfstraffen waren nog niet helemaal afgeschaft: ooit werd er al eens een oorveeg of een muilpeer uitgedeeld, een uitzonderlijke keer een vous-avez, zijnde een schop voor je achterste. Een venijnige kneep in de bovenarm of een draai aan de korte haartjes aan de slapen behoorden ook tot het gamma.

In onze prepuberteit, toen we nog niet van wanten wisten, werd voortdurend in de gaten gehouden of we de handen niet in de zakken staken. Wat was daar nu verkeerd aan?  In onze zakken zaten onschuldige voorwerpen als glazen knikkers, elastiekjes, een eindje touw, een plastic fluitje, een zakdoek. Maar o wee als je betrapt werd: de “zondige” hand moest naar de bewaker van dienst worden gestrekt die met zijn bronzen poortsleutel een flinke mep op de kneukels verkocht. Op de duur durfden we onze neus niet meer snuiten. De internen moesten daarenboven ’s nachts de handen boven de lakens houden, ook al stonden er ijsbloemen op de ruiten.

Gelukkig konden we onze zonden kwijt in de biechtgelegenheid waar naast een aantal leraars, ook een vreemde biechtvader ter beschikking was. Die had vrij veel succes, hoewel zijn adem naar sigaren rook, soms gemengd met knoflook. Een der subregenten, die hardhorig was, hoorde geen biecht (heb je hem?). Stel je voor dat je je zonden, met een rij wachtenden als getuige, moest roepen in plaats van te fluisteren. De man worstelde soms met zijn hoorapparaat, dat nu en dan begon te piepen. Hij draaide de knop van de ontvanger op zijn borst al eens in de verkeerde richting, waarbij een doordringende fluittoon door de kerk of de studiezaal sneed, even onverdraaglijk als het krijsen van krijt op het bord. Een klasgenoot beweerde dat je storingen kon veroorzaken door in zijn buurt een batterij kort te sluiten. Of dit klopt of niet, kan ik niet getuigen.

Nog enkele memorabele gebeurtenissen: Vlak na de pausverkiezing van Johannes 23 kwam Sterck achteraan de studiezaal binnengestormd en brulde: Habemus papam! De in studie of slaap verzonken leerlingen waren meteen uit hun concentratie.

En om de vorige voorzitter even te gedenken: ooit hebben een of meer internen een normale gezonde belangstelling betoond voor de keukenmeiden.

Met onverholen woede beteugelde Sterck dit als volgt: jullie besnuffelen de meiden als honden. Dit moet gedaan zijn !!! (hel en duivel !)

Verborgen achter mijn rug zat Gerard luid door zijn neus te snuffelen en te blazen. Ik heb toen héél hard op mijn onderlip moeten bijten.

Maar klap op de vuurpijl: tegen het einde van de humaniora stond het alles in rep en roer. Nog voor de grote treinroof had het college zijn grote wijnroof. Enkele internen hadden zich ’s nachts een weg gebaand naar dé schatkamer van principaal Sterck en Co. Daar sluimerden de heiligen Emilianus, Estephanus en Julianus in afwachting van hun wederopstanding vreedzaam zij aan zij met de weduwen Clicquot en Bollinger. Voor hun tijd gekomen was werden ze abrupt uit hun crypte gehaald en voortijdig verzwolgen. (De woorden proeven, degusteren, afdronk en tutti quanti zijn hier helemaal niet op hun plaats.)

De daders werden snel gevat en je kunt je inbeelden welke donderpreek ze kregen.

Sterck, bourgondische afstammeling van een pauselijke zoeaaf had niet alleen de gave van het woord, maar ook die van het scheldwoord. Het vocabularium van kapitein Haddock verbleekte er soms bij.

De daders werden bestempeld als ploerten, mispels, schurken, judassen.. Maar o mirakel van Sint Catharina van Alexandrië: ze werden tot ieders verbazing niet van het college gestuurd. Een ervan, hij ruste in vrede, opende later een wijnhandel…

Ik ben aan het einde van mijn Latijn gekomen; ik eindig dus in het Latijn :

In paradisum non iam deducant nos angeli, neque nos suscipiant martyres. Laat ze      eerst nog maar heel lang discussiëren over hun geslacht of met hoeveel ze op de punt van een naald kunnen zitten.

Vaarwel, het ga jullie goed.

Speech Lisbeth Claeys

Beste jaargenoten, aanwezigen, …

Intussen is het al bijna 27 jaar geleden dat we, als 18-jarigen, de schoolbanken op dit college verlieten en onze weg verder zochten. Op dat moment had 6 jaar en dus  33% van ons leven voor een heel groot deel zich binnen deze muren afgespeeld; intussen is dat slechts 13,6 % meer. En hier zijn ongetwijfeld vandaag ook mensen aanwezig bij wie dit percentage nog veel meer gezakt is. Dus, puur mathematisch zou je kunnen stellen dat deze jaren aan belang verliezen. Maar niets is minder waar: ondertussen zijn we allemaal oud en wijs genoeg geworden om te beseffen dat de belangrijke dingen in het leven niets met cijfers te maken hebben. 

In het college werden we immers gevormd en nu we zelf ouder zijn van tieners, pubers, zoals wij waren toen we hier rondliepen, weten we hoe belangrijk die schooljaren zijn. We leerden hier veel meer dan zuivere kennis, maar werden getriggerd om op zoek te gaan naar onze eigen talenten, en dat kon alleen maar met inspirerende leerkrachten, leerkrachten die het beste van zichzelf gaven om ons te doen groeien, letterlijk deden we dat vanzelf, maar vooral ook figuurlijk: groeien in respect voor elkaar, in vertrouwen, in zelfvertrouwen, … 

Onze blik op de wereld werd ook toen al verruimd, zodat we nadien klaar waren om er echt op uit te trekken. De Romereis is daarvan het beste voorbeeld. Daar werden we vakkundig gegidst door ZEH Principaal, meneer Van Bever, meneer Tas, … Maar ook in de lessen zelf werd ons geleerd om verder te kijken, om onze blik te verruimen, open te staan voor nieuwe dingen, … En in het schoolorkest ontdekten sommigen onder ons hun muzikale talenten.  

27 jaar geleden zeiden ze ons: “nu laat ik je los, kind, van hieraf moet je gaan, met vallen en opstaan, van hieraf moet je gaan”. 

En voila, hier staan we dan, we zijn onze eigen weg gegaan, met vallen en opstaan, maar we waren er klaar voor. 

Vandaag kunnen we herinneringen ophalen: over de vraag in de les fysica of de lading nu positief of negatief was, zo ja, waarom niet? Of een verspreking als het miniscuul grote … Of de opera Ortello? Of Nero die aan tafel lag, zo lui  als een paashaas, helemaal niet gehaast. Over het bezoek aan charming London, onder leiding van charming gentleman De Clercq, over de albekende uitspraak van mevr. Audoore dat ‘les gouts en les couleurs ne se disputent pas’, of ‘de gustibus et coloribus non disputandum est. 

Kortom, het college, mooie herinneringen, waar we heel dankbaar voor zijn. 

Speech Rudy De Schauwer

Geachte heer voorzitter, geachte heer directeur, geachte heer principaal, geachte aanwezigen,

Toen mevr. Rydant me een paar dagen geleden belde om, namens de jubilerende retorika 1970 een speechke van maximaal 05 minuten te houden, kon ik haar moeilijk teleurstellen en stemde ik toe, zij het met enig voorbehoud. Hoe kan je immers een verblijf van 13 jaar in het college vatten in 05 minuten? De inspiratie is echter niet ver af als ook je partner een jaargenote is, je kinderen oudleerlingen en je kleinkinderen leerlingen zijn van het college. Genetische besmetting dus zijn met het collegevirus.

Ik was net geen 06 jaar oud toen ik op 01 september 1957 langs de poort in de Collegestraat het college binnenstapte om in de klas, eerste deur rechts, het eerste studiejaar aan te vangen. Het was tijdens de schoolstrijd na de beruchte wet Collard van 1955 waarbij de subsidies voor het Katholiek onderwijs drastisch beperkt werden zodat de Katholieke scholen er financieel alle belang bij hadden zoveel mogelijk kinderen in te schrijven. Mijn prilste herinnering beperkt zich tot het uitzicht van het hoge klaslokaal maar vooral de geur van koffie en brood, uitgaande van de verderop gelegen keuken zijn me tot op heden bijgebleven. Wijlen meester Cromphaut zorgde er voor dat al vlug ieder kind kon lezen en schrijven met een pen, want de meesten onder ons waren in kleuterschool niet verder geraakt dan de lei en de griffel. Het tweede studiejaar noem ik het “rekenjaar”. Wijlen meester Van Ongevalle drilde met zijn meterstok de tafels van vermenigvuldiging voor eeuwig in je geheugen. Als beloning kon je een blozende appel krijgen die was opgepoetst met zijn stofferige grijze kiel. Zo gingen de studiejaren, volgens mijn kleinkinderen een thans verboden synoniem van “leerjaren”, voorbij onder het toezicht van wijlen de meesters Ternest, Poelaert en Hijsselinckx, de “kleine De Vleeschauwer” en “Den Backer”, Hitchinson en Flamant tot het toen nog verplichte “zevende studiejaar” als voorbereidend jaar op de humaniora. De leraars, mr. De Vleeschauwer en mr. Leroy, nu tachtigers, zijn nog steeds onder ons en kunnen, bij een gesprek tijdens een toevallige ontmoeting, nog steeds mee mijmeren over onze gelukkige lagere schoolperiode onder het gezag van hun strenge directeur, wijlen Leonce Van Wymeersch, alias “piston”.

Eenmaal aangeland in het middelbaar onderwijs kwamen we tegelijk terecht in “de sixtie’s”, wellicht voor onze generatie het meest revolutionaire decennium van de twintigste eeuw. Het middelbaar onderwijs werd toen nog “humaniora” genoemd. Naast kennisonderricht, was het immers nog een kerntaak om menselijke waarden en normen bij te brengen: “humanior, menselijker worden”. De invoering van de term “secundair onderwijs” laat vermoeden dat dit niet meer noodzakelijk geacht werd. “Opvoeding” wordt beschouwd als de taak van de ouders en valt blijkbaar buiten het takenpakket van de onderwijsinrichtingen. De vraag is evenwel of deze taak in de huidige tijd voor de meerderheid van de ouders, niet in het minst voor financieel noodzakelijke tweeverdieners, nog te combineren valt met stressvolle jobs, eigen behoefte aan ontspanning, wijzigende gezinssituaties enz. . Is het ook geen onderhuidse reden voor de trend van het dalend onderwijsniveau die zich reeds sedert een paar decennia ingezet heeft?

Ook het kennisonderricht werd doeltreffend bijgestuurd.  De overblijvende priesters-leraar werden aangevuld met en geleidelijk vervangen door lekenleraars die ons met jeugdig enthousiasme de kennis bijbrachten om universitaire studies aan te vatten. Voor mij persoonlijk waren mentors als o.a. Roger Tas en wijlen Willy Vanderschueren grootmeesters respectievelijk in taal en wetenschappen. Eerwaarde heer Michel De Beer, een grootmeester in taal en cultuur, loodste ons feilloos door het woelige mei ’68, dat een ware trendbreuk teweeg bracht in het katholieke onderwijssysteem. Onder de leiding van principaal wijlen Flor Adriaens, opende mei ’68 de poort naar een onderwijsinrichting 2.0, de eerste stap naar ons huidig onderwijssysteem. Het gemengd onderwijs door de komst van de meisjesleerlingen was in 1965 reeds de aanzet. Dat we trouwens de nodige kennis meegekregen hadden bleek heel duidelijk uit het uitzonderlijk hoge slaagpercentage van de leerlingen van de retorica 1970 tijdens de hogere studies.

Het komt me dan ook toe na 50 jaar, namens alle grotendeels 70-jarige klasgenoten van de retorika ’70, mijn welgemeende dank te betuigen voor het uiterst waardevol genoten onderwijs dat de meesten van ons toeliet een goed geslaagde carrière uit te bouwen.

We gedenken echter hierbij ook met het grootste respect de reeds overleden medeleerlingen en leven mee met het leed van hun familieleden.

De huidige afstuderenden wensen we evenveel succes toe in deze woelige tijden waar “humanior” zijn blijkbaar voor velen een loos begrip geworden is.

Dank voor  jullie aandacht en geniet nog verder van deze prettige dag.

Speech Roland De Cock

Zeer eerwaarde heer principaal, beste oud-leraren en oud-leerlingen en vooral beste gouden jubilarissen van het jaar 1972.

Ave commilitones .

We zijn onze humaniora gestart in 1966, midden de golden sixties, maar dat wisten we toen niet.

Het was de tijd van de koude oorlog en de Berlijnse muur.

En Jozef Sterck was de sterke man hier in het college.

Even later werd hij opgevolgd door de immer minzame Flor Adriaens.

In die dagen had het college een internaat en verbleven hier ook een 10tal priester-leraars.

We hadden ook zusters, nonnetjes, aan boord: moeder overste, zuster Lutgarde, Zuster Henriëtte en zuster Gertrude.

Mijn goede vriend en jaargenoot, Albert, Berken, officieel Eric D’ haeseleer en ikzelf waren de chouchous van de zusters, hoe dat kwam en hoe het kwam dat Eric een andere naam kreeg is een lang verhaal.

Dat vertel ik wel eens  op een volgend jubileum.

Verder was er ook een knecht, Valere en een meid Gracienne.

Het was hier best een gezellige bedoening.

Het onderwijs in die tijd was vooral gericht op de afdeling latijn.

De handelsafdeling bestond al maar de grote meerderheid volgde toen nog latijn.

Het eerste jaar  viel niet echt mee, het was aanpassen.  Aanpassen aan de leerstof en aan de leerkrachten.

We kregen plots om het uur een andere leraar over de vloer en er stond uiteraard latijn op het menu.

Het 2de jaar, de 5des ,was het nog erger, we hadden het latijn nog niet eens onder de knie en er kwam al grieks bij en dat kregen we ene Andre Van Herreweghe, den dikken:

 de man was autoritair, nors, en hij kon je in volle klas belachelijk maken als je iets niet wist of niet begreep.

Tot overmaat van ramp gaf de man bovendien latijn, geschiedenis en nederlands.

Hij was ons kot niet uit.

Maar vanaf de 4des begon de hemel op te klaren en niet in het minst omdat we vanaf dan leerkrachten over de vloer kregen die minzamer, meer begripvol en begeleidend waren.

Ik herinner me de boeiende lessen van de rustige Roger Boulangier.

Les volgen bij Roger Tas was dan weer een plezier.

Bij Michel De Beer, steeds glimlachend, waren de lessen eerder entertainment.

En dat alles vertaalde zich in steeds  betere schoolresultaten.

Enkele wijze uitspraken van leraars zijn me bijgebleven :

Leo Van Hese, de Sido, zei “ als je op restaurant gaat en je vraagt steeds beefsteak met friet, dat is niet goed” , hij bedoelde daarmee dat we een brede interesse aan de dag moesten leggen.

Guido Cock, de man van de wiskunde, zei “als je graag lui bent moet je eerst werken” en Victor Huysecom, de Fikken , drong er op aan dat we altijd braaf zouden zijn en dat we misschien best universitaire studies zouden aanvatten na ons humaniora en als we op kot zouden gaan in Leuven moesten we steeds brave jongens en meisjes zijn.

En dan het leven op het internaat.

Alles was goed georganiseerd, gestructureerd, gereguleerd, gechronometreerd  en vooral gecontroleerd.

Het principe was simpel: alles wat niet expliciet was toegelaten was verboden.

Het gevolg liet zich raden: de hoofdcontroleur van dienst de subregent Van Poel (de Jean ) hield alles scherp in het oog.

Hij was dan ook altijd en overal aanwezig als een soort geest : op de slaapzaal dag en nacht, in de gangen, in de eetzaal, in de studiezaal, in de kapel, op de speelplaats en op woensdag- en zondagnamiddag op het buitengoed op de Oudenberg.

De lijntjes waar we moesten tussen lopen lagen dicht bij elkaar. En die lijntjes overschrijden werd streng beboet.

De strafmaat voor alles en nog wat was 100 stamtijden schrijven, i00 was de minimum straf en die kon oplopen tot 400. Ik weet nog goed : in het leerboek Latijnse grammatica stonden 470 werkwoorden. Van Poel had bovendien  de duivelse gewoonte straf te geven tijdens de examenperiode.

Maar: ieder nadeel   ‘ heb’  zijn voordeel,

Velen onder ons haalden meer punten op latijn dan op frans of Nederlands.

Om af te sluiten: wat hebben we geleerd op het college :

We leerden niet alleen dat Brussel tweetalig is, dat Oostende aan de Noordzee ligt, we leerden dat Julius Cesar een dief en moordenaar was.

We leerden discipline, leerden leren en we leerden werken.

We leerden verantwoordelijk te zijn en we leerden dat er meer bestaat dan beefsteak met friet. En daarvoor zijn we toch dankbaar.

Ad multos annos!